Er waren verschillende redenen voor het opzetten van werkkampen voor Joden in het
Generalgouvernement
in Belzec in
1940:
Volgens de plannen van de nazi‘s, was het initiële idee om werkkampen te bouwen in het district
Lublin gekoppeld aan het plan om alle Joden uit Duitsland
en de geannexeerde gebieden te verplaatsen naar het district
Lublin.
Een andere reden was het idee van
Himmler en
Heydrich om Joden te gebruiken bij de bouw
van fortificaties tussen het
Generalgouvernement en de Sovjet Unie.
De Joden moesten umgesiedeld worden van het
Warthegau
en andere Poolse gebieden die door het "Derde Rijk" waren geannexeerd. Het idee om Joden voor dit werk te
gebruiken werd ondersteund door
SS-Gruppenführer
Globocnik, de SS en politie commandant van
het district
Lublin.
 |
| Ingang van het werkkamp * |
Van eind mei tot augustus 1940 werden ongeveer 10.000 Joden uit de districten
Lublin, Radom en
Warschau
naar Belzec gestuurd. Voor veel van hen
waren de omstandigheden daar onbekend. Zij kwamen als vrijwilliger, vooral de mannen uit het getto van
Warschau, omdat daar geen werk voor hen was.
Gedurende drie dagen in
augustus 1940 kwam een grote groep Joodse
arbeiders naar Belzec. In het begin waren de woonomstandigheden zeer primitief, vanwege een gebrek aan
ruimte. Na een aantal dagen werden zij doorgestuurd naar 20 verschillende subkampen, die ingericht
waren in Belzec en omgeving.
Hun voornaamste werk was de bouw van fortificaties bij de grens met de Sovjet Unie: een wal van 140
km tussen de rivieren Bug en San. Tot
oktober 1940 was de
'oostelijke wal' (tussen Belzec en het plaatsje
Dzików Stary)
slechts 40 kilometer lang, 2,5 meter diep en 7,5 meter breed.
De gevangenen van het Belzec dwangarbeiderskamp bouwden een 6 kilometer lang deel van deze “Otto Linie”.
Verder werden zij ook ingezet bij de aanleg van afwateringkanalen, de regulering van rivieren en
de aanleg van straten.
 |
| Werkkamp Nr. 1 |
 |
| Werkkamp Nr. 2 |
De Joodse gevangenen in Belzec woonden op drie locaties: het
landhuis
(1.000 personen),
Kesslers Molen (500) en in de
treinremise (1.500). Buiten Belzec werkte en woonde
de gevangenen in
Cieszanów (ongeveer 3.000),
Plazów (1.250) en diverse andere locaties.
Een deel van de Joden in
Cieszanów werd
uiteindelijk naar
Dzików gestuurd.
35 dwangarbeiderskampen waren gesitueerd langs de "Otto Linie", voornamelijk in verlaten synagogen,
schuren, loodsen en opslagplaatsen.
 |
Belzec: Joden marcheren naar een werkkamp #2 |
 |
Belzec: Joden marcheren naar een werkkamp #1 |
Toen de eerste groep met Joden van
Lublin naar Belzec kwam,
ontmoetten zij daar de
Roma en Sinti die vanuit Duitsland (waaronder de Roma van
Hamburg), Tsjecho-Slowakije en Polen waren gedeporteerd.
In die tijd verklaarde de gouverneur van
Lublin,
Ernst Zörner dat Belzec het centrale kamp
voor de Roma en Sinti zou worden. Hun kamp was gevestigd in de boerderij van het Belzec landhuis.
De Roma en Sinti werden ingezet om sleuven te graven in het dorp Belzec. Onder de groep Joden die
uit Duitsland werden gedeporteerd zaten veteranen uit de Eerste Wereldoorlog en zelfs leden
van de nazi partij
NSDAP.
Onder de gevangenen bevond zich overigens ook een groep met Poolse boeren uit dorpjes in de
omgeving van
Tomaszow Lubelski. Zij werden gegijzeld
omdat zij geen tegemoetkoming aan de Duitsers zouden hebben betaald.
De omstandigheden in de kampen waren verschrikkelijk. De gevangenen werden gemarteld, geslagen en
uitgehongerd. Het kwam vaak voor, dat moeders besloten hun eigen kinderen te doden, omdat zij geen
eten voor ze hadden. Als ontbijt ontving men elke dag zwarte koffie, zonder suiker en 300 gram brood.
De hoofdmaaltijd, soep bestond uit water met stinkende groenten en bedorven vlees. Dat was absoluut
niet voldoende voor de hard werkende gevangenen. Alleen bij bezoeken van het Zwitserse Rode Kruis was
het eten gedurende twee dagen beter. Na vertrek van de delegatie voor een bezoek aan de dwangarbeiderskampen
van
Plazów (bij Belzec), gaf de commandant
SS-Sturmbannführer Hermann Dolp
het bevel, de voedselvoorziening weer aan te passen.
Veel Roma en Sinti overleden aan de gevolgen van tyfus en dysenterie.
Het exacte aantal slachtoffers onder de Roma en Sinti is niet bekend. Hun graven bevinden zich in Belzec
nabij de spoorweg aan de weg naar
Jaroslaw.
Toen de eerste Joodse gevangenen in Belzec aankwamen werden meer dan 1.000 Roma en Sinti
overgeplaatst naar het werkkamp
Krychow vlakbij
Sobibor (voor de oorlog was er al een werkkamp voor
Poolse misdadigers in
Krychow). Er is geen eenduidige informatie
over het lot van deze Roma en Sinti. Mogelijk werd een deel van hem naar het getto van
Siedlce gestuurd en vandaar uit naar
Treblinka.
 |
Doodgeschoten op de latrine |
De commandant van de kampen was
Hermann Dolp.
Voor zijn aanstelling in Belzec was hij de kampcommandant van het
Lublin
dwangarbeiderskamp in de
Lipowa straat nr. 7. In Belzec werd hij geassisteerd
door
SS-Hauptsturmführer Franz Bartetzko,
die vanaf de
lente van 1942 commandant van
dwangarbeiderskamp Trawniki was.
Beide waren gewetenloos en verantwoordelijk voor de moord op veel gevangenen. Een notoir voorbeeld
van de wreedheid van
Dolp: Hij beval de Joden om slechts
op een bepaalde tijd gebruik te maken van het toilet. Zij die buiten die tijd op de latrine werden aangetroffen,
werden door hem geëxecuteerd. Vooral gevangenen met diarree werden zijn slachtoffer.
Dolp stond bekend als de meest corrupte SS’er in Belzec.
De gevangenen, die in de werkplaatsen werkten, moesten op zijn bevel kleding, schoeisel e.d. produceren.
Ondanks het feit, dat de kampen onder bevel stonden van de SS, werd de aanvoer van goederen,
kleding en de administratie verzorgd door de
Judenrat van
Lublin.
De Duitsers richtten in Belzec een
Joods Orgaan op, dat verantwoordelijk was voor de organisatie
van het kamp. Alle kosten die gemaakt werden in verband met de Joodse gevangenen moesten worden
betaald door de
Judenräte van de steden waar de gevangenen vandaan kwamen.
Dit Joods Orgaan besliste hoe het beschikbare voedsel onder de gevangenen verdeeld moest worden.
Na
augustus 1940 werd het
Joods Orgaan gewijzigd in een
"
Centrale Kampraad", geleid door
Leon Zylberajch
uit
Lublin. De leden van deze "
Centrale Kampraad" waren
allen vrijgesteld van werk. Enkele schriftelijke rapporten uit
1940
over corruptie bij de “
Centrale Kampraad” door de
Judenrat van
Lublin, zijn bewaard gebleven. Leden van de
“
Centrale Kampraad” dwongen de gevangenen te betalen als ze naar het ziekenhuis moesten,
de gevangenen moesten betalen voor beter werk etc. Daarnaast plunderden de leden van de “
Centrale Kampraad”
de voedselpakketten gestuurd door familie van de gevangenen.
Het werk in Belzec en andere kampen was erg zwaar. De gevangenen moesten om 04.00 of 06.00 uur
(afhankelijk van het seizoen) met het werk beginnen. Door de martelingen, honger en primitieve omstandigheden
(geen dekens op de bedden, geen schone kleding) leken de meeste gevangenen na korte tijd op wandelende
lijken. Dr
Janusz Peter, directeur van het
Tomaszów Lubelski hospitaal, die probeerde
contact te houden met zijn voormalige patiënten, beschreef de gevangenen als “geesten in vodden.”
In zijn memoires valt te lezen dat de Duitsers foto’s namen van deze mensen om te gebruiken als bewijs
voor de stelling, dat de Joods Poolse cultuur, een cultuur van
Untermenschen was.
 |
| Envelop, gepost op 13 juni 1940 |
De werkkampen in Belzec en de nabijgelegen dorpen werden in
oktober 1940
ontruimd. Het aantal slachtoffers in het dorp Belzec alleen wordt geschat op 300. Voordat de kampen geliquideerd
werden, moest een deel van de Joden worden vrijgelaten, omdat zij niet in staat waren nog te werken.
Sommige overleden nadat zij waren vrijgelaten. Het laatste transport van vrijgelaten mensen ging
eind oktober naar
Hrubieszow.
Tot op de dag van vandaag weten maar weinig mensen dat de dwangarbeiderskampen in Belzec in
1940, het grootste werkkampencomplex in het
Generalgouvernement
was. Dicht bij het voormalige vernietigingskamp Belzec zijn fragmenten van de "Otto Line" nog steeds zichtbaar.
Volgens Poolse ooggetuigen liggen in een oud park bij het landhuis de lichamen van 200 slachtoffers begraven.
Veel anderen zijn begraven in het bos bij het " Jan Woloszyn huis" (de exacte locatie is vooralsnog onbekend,
waarschijnlijk in het bos tegenover het vernietigingskamp, achter de meubelfabriek en het huis van
Wirth).
Andere slachtoffers liggen begraven op het Joodse kerkhof in
Tomaszow Lubelski.
Foto's:
GFH *
Bronnen:
State Archive Lublin: Collection of Judenrat in Lublin 1939-1942
Dokumenty i materialy. Vol. 1, Obozy. Red. N. Blumental, Lodz 1946
E. Dziadosz, J. Marszalek: Wiezjenia i obozy pracy w dystrykcie lubelskim w
latach 1939-1944. "Zeszyty Majdanka", vol. 3 (1969)
J. Peter: W Belzcu podczas okupacji. (in) Tomaszowskie za okupacji. Red. J. Peter,
Tomaszow Lubelski 1991
T. Radzik: Lubelska dzielnica zamknieta. Lublin 1999
© ARC 2002-2007 (Vertaling: Sion Soeters)