ARC Main Page Belzec Kampgeschiedenis

Belzec werkkampen

Laatste Update 5 augustus 2007





Er waren verschillende redenen voor het opzetten van werkkampen voor Joden in het Generalgouvernement in Belzec in 1940:
Volgens de plannen van de nazi‘s, was het initiële idee om werkkampen te bouwen in het district Lublin gekoppeld aan het plan om alle Joden uit Duitsland en de geannexeerde gebieden te verplaatsen naar het district Lublin.
Een andere reden was het idee van Himmler en Heydrich om Joden te gebruiken bij de bouw van fortificaties tussen het Generalgouvernement en de Sovjet Unie.
De Joden moesten umgesiedeld worden van het Warthegau en andere Poolse gebieden die door het "Derde Rijk" waren geannexeerd. Het idee om Joden voor dit werk te gebruiken werd ondersteund door SS-Gruppenführer Globocnik, de SS en politie commandant van het district Lublin.

Ingang van het werkkamp *
Van eind mei tot augustus 1940 werden ongeveer 10.000 Joden uit de districten Lublin, Radom en Warschau naar Belzec gestuurd. Voor veel van hen waren de omstandigheden daar onbekend. Zij kwamen als vrijwilliger, vooral de mannen uit het getto van Warschau, omdat daar geen werk voor hen was.
Gedurende drie dagen in augustus 1940 kwam een grote groep Joodse arbeiders naar Belzec. In het begin waren de woonomstandigheden zeer primitief, vanwege een gebrek aan ruimte. Na een aantal dagen werden zij doorgestuurd naar 20 verschillende subkampen, die ingericht waren in Belzec en omgeving.
Hun voornaamste werk was de bouw van fortificaties bij de grens met de Sovjet Unie: een wal van 140 km tussen de rivieren Bug en San. Tot oktober 1940 was de 'oostelijke wal' (tussen Belzec en het plaatsje Dzików Stary) slechts 40 kilometer lang, 2,5 meter diep en 7,5 meter breed.
De gevangenen van het Belzec dwangarbeiderskamp bouwden een 6 kilometer lang deel van deze “Otto Linie”. Verder werden zij ook ingezet bij de aanleg van afwateringkanalen, de regulering van rivieren en de aanleg van straten.

Werkkamp Nr. 1
Werkkamp Nr. 2
De Joodse gevangenen in Belzec woonden op drie locaties: het landhuis (1.000 personen), Kesslers Molen (500) en in de treinremise (1.500). Buiten Belzec werkte en woonde de gevangenen in Cieszanów (ongeveer 3.000), Plazów (1.250) en diverse andere locaties. Een deel van de Joden in Cieszanów werd uiteindelijk naar Dzików gestuurd.
35 dwangarbeiderskampen waren gesitueerd langs de "Otto Linie", voornamelijk in verlaten synagogen, schuren, loodsen en opslagplaatsen.


Belzec: Joden marcheren
naar een werkkamp #2
Belzec: Joden marcheren
naar een werkkamp #1
Toen de eerste groep met Joden van Lublin naar Belzec kwam, ontmoetten zij daar de Roma en Sinti die vanuit Duitsland (waaronder de Roma van Hamburg), Tsjecho-Slowakije en Polen waren gedeporteerd. In die tijd verklaarde de gouverneur van Lublin, Ernst Zörner dat Belzec het centrale kamp voor de Roma en Sinti zou worden. Hun kamp was gevestigd in de boerderij van het Belzec landhuis. De Roma en Sinti werden ingezet om sleuven te graven in het dorp Belzec. Onder de groep Joden die uit Duitsland werden gedeporteerd zaten veteranen uit de Eerste Wereldoorlog en zelfs leden van de nazi partij NSDAP.
Onder de gevangenen bevond zich overigens ook een groep met Poolse boeren uit dorpjes in de omgeving van Tomaszow Lubelski. Zij werden gegijzeld omdat zij geen tegemoetkoming aan de Duitsers zouden hebben betaald.

De omstandigheden in de kampen waren verschrikkelijk. De gevangenen werden gemarteld, geslagen en uitgehongerd. Het kwam vaak voor, dat moeders besloten hun eigen kinderen te doden, omdat zij geen eten voor ze hadden. Als ontbijt ontving men elke dag zwarte koffie, zonder suiker en 300 gram brood. De hoofdmaaltijd, soep bestond uit water met stinkende groenten en bedorven vlees. Dat was absoluut niet voldoende voor de hard werkende gevangenen. Alleen bij bezoeken van het Zwitserse Rode Kruis was het eten gedurende twee dagen beter. Na vertrek van de delegatie voor een bezoek aan de dwangarbeiderskampen van Plazów (bij Belzec), gaf de commandant SS-Sturmbannführer Hermann Dolp het bevel, de voedselvoorziening weer aan te passen.
Veel Roma en Sinti overleden aan de gevolgen van tyfus en dysenterie.
Het exacte aantal slachtoffers onder de Roma en Sinti is niet bekend. Hun graven bevinden zich in Belzec nabij de spoorweg aan de weg naar Jaroslaw.
Toen de eerste Joodse gevangenen in Belzec aankwamen werden meer dan 1.000 Roma en Sinti overgeplaatst naar het werkkamp Krychow vlakbij Sobibor (voor de oorlog was er al een werkkamp voor Poolse misdadigers in Krychow). Er is geen eenduidige informatie over het lot van deze Roma en Sinti. Mogelijk werd een deel van hem naar het getto van Siedlce gestuurd en vandaar uit naar Treblinka.

Doodgeschoten
op de latrine
De commandant van de kampen was Hermann Dolp. Voor zijn aanstelling in Belzec was hij de kampcommandant van het Lublin dwangarbeiderskamp in de Lipowa straat nr. 7. In Belzec werd hij geassisteerd door SS-Hauptsturmführer Franz Bartetzko, die vanaf de lente van 1942 commandant van dwangarbeiderskamp Trawniki was. Beide waren gewetenloos en verantwoordelijk voor de moord op veel gevangenen. Een notoir voorbeeld van de wreedheid van Dolp: Hij beval de Joden om slechts op een bepaalde tijd gebruik te maken van het toilet. Zij die buiten die tijd op de latrine werden aangetroffen, werden door hem geëxecuteerd. Vooral gevangenen met diarree werden zijn slachtoffer.
Dolp stond bekend als de meest corrupte SS’er in Belzec. De gevangenen, die in de werkplaatsen werkten, moesten op zijn bevel kleding, schoeisel e.d. produceren. Ondanks het feit, dat de kampen onder bevel stonden van de SS, werd de aanvoer van goederen, kleding en de administratie verzorgd door de Judenrat van Lublin. De Duitsers richtten in Belzec een Joods Orgaan op, dat verantwoordelijk was voor de organisatie van het kamp. Alle kosten die gemaakt werden in verband met de Joodse gevangenen moesten worden betaald door de Judenräte van de steden waar de gevangenen vandaan kwamen. Dit Joods Orgaan besliste hoe het beschikbare voedsel onder de gevangenen verdeeld moest worden.
Na augustus 1940 werd het Joods Orgaan gewijzigd in een "Centrale Kampraad", geleid door Leon Zylberajch uit Lublin. De leden van deze "Centrale Kampraad" waren allen vrijgesteld van werk. Enkele schriftelijke rapporten uit 1940 over corruptie bij de “Centrale Kampraad” door de Judenrat van Lublin, zijn bewaard gebleven. Leden van de “Centrale Kampraad” dwongen de gevangenen te betalen als ze naar het ziekenhuis moesten, de gevangenen moesten betalen voor beter werk etc. Daarnaast plunderden de leden van de “Centrale Kampraad” de voedselpakketten gestuurd door familie van de gevangenen.

Het werk in Belzec en andere kampen was erg zwaar. De gevangenen moesten om 04.00 of 06.00 uur (afhankelijk van het seizoen) met het werk beginnen. Door de martelingen, honger en primitieve omstandigheden (geen dekens op de bedden, geen schone kleding) leken de meeste gevangenen na korte tijd op wandelende lijken. Dr Janusz Peter, directeur van het Tomaszów Lubelski hospitaal, die probeerde contact te houden met zijn voormalige patiënten, beschreef de gevangenen als “geesten in vodden.” In zijn memoires valt te lezen dat de Duitsers foto’s namen van deze mensen om te gebruiken als bewijs voor de stelling, dat de Joods Poolse cultuur, een cultuur van Untermenschen was.

Envelop, gepost op 13 juni 1940
De werkkampen in Belzec en de nabijgelegen dorpen werden in oktober 1940 ontruimd. Het aantal slachtoffers in het dorp Belzec alleen wordt geschat op 300. Voordat de kampen geliquideerd werden, moest een deel van de Joden worden vrijgelaten, omdat zij niet in staat waren nog te werken. Sommige overleden nadat zij waren vrijgelaten. Het laatste transport van vrijgelaten mensen ging eind oktober naar Hrubieszow.

Tot op de dag van vandaag weten maar weinig mensen dat de dwangarbeiderskampen in Belzec in 1940, het grootste werkkampencomplex in het Generalgouvernement was. Dicht bij het voormalige vernietigingskamp Belzec zijn fragmenten van de "Otto Line" nog steeds zichtbaar.

Volgens Poolse ooggetuigen liggen in een oud park bij het landhuis de lichamen van 200 slachtoffers begraven. Veel anderen zijn begraven in het bos bij het " Jan Woloszyn huis" (de exacte locatie is vooralsnog onbekend, waarschijnlijk in het bos tegenover het vernietigingskamp, achter de meubelfabriek en het huis van Wirth).
Andere slachtoffers liggen begraven op het Joodse kerkhof in Tomaszow Lubelski.


Foto's:
GFH *

Bronnen:
State Archive Lublin: Collection of Judenrat in Lublin 1939-1942
Dokumenty i materialy. Vol. 1, Obozy. Red. N. Blumental, Lodz 1946
E. Dziadosz, J. Marszalek: Wiezjenia i obozy pracy w dystrykcie lubelskim w latach 1939-1944. "Zeszyty Majdanka", vol. 3 (1969)
J. Peter: W Belzcu podczas okupacji. (in) Tomaszowskie za okupacji. Red. J. Peter, Tomaszow Lubelski 1991
T. Radzik: Lubelska dzielnica zamknieta. Lublin 1999

© ARC 2002-2007 (Vertaling: Sion Soeters)