Dit is de ontroerende geschiedenis van Martha W., een Sinti. Zij werd in 1921 in
Kiel
geboren. Op
20 mei 1940 werd zij met haar twee kinderen (1 en 2 jaar),
haar moeder en broer naar een dwangarbeiderskamp in Belzec gedeporteerd.
ARC-commentaar in het groen.
Ik heb samen met mijn ouders en mijn broer in de Marckmannstraße in
Hamburg-Rothenburgsort gewoond. Daar ben ik
opgegroeid en naar school gegaan. Mij broer was anderhalf jaar jonger dan ik. Beiden gingen wij naar de
Volksschule in de Marckmannstraße. Mijn broertje ging naar de jongensschool en ik naar de
meisjesschool ernaast. Na deze school ging ik naar de Allgemeine Haushaltungsschule op de
Ausschläger Weg.
Mijn vader, F. G., was een, met het IJzeren Kruis onderscheidde soldaat uit de Eerste Wereldoorlog.
Deze onderscheiding hing bij ons in de woonkamer aan de muur, totdat, op een dag de politie
binnenviel en de onderscheiding van de muur trok met de opmerking, dat hij het niet waard was om
een dergelijke onderscheiding te bezitten. Van de een op de andere dag was mijn vader niet goed
genoeg meer. Mijn zoon heeft nog zijn soldatenpaspoort, waarin precies vermeld staat, aan welke
acties mijn vader heeft deelgenomen.
In
juni 1938 werd mijn vader gearresteerd en moest naar
KZ Sachsenhausen. Nadat mijn vader was gearresteerd,
zijn wij vertrokken. Mijn moeder, Pauline G., heeft voor ons een klein huis in de Kolbergstraße,
in de buurt van de Berliner Tor, gevonden. Daar hebben we gewoond, totdat we werden opgepakt.
Ik was toen 18 jaar, verloofd en moeder van een dochtertje, dat in
februari 1938 was geboren. Dat was drie maanden voor mijn
verloofde en de andere mannen naar
Sachsenhausen
werden gedeporteerd. Mijn vader wilde dat wij pas zouden trouwen als ik 18 was. Ik ben in
december 18 geworden en mijn vader en verloofde zijn
juni 1938 afgevoerd. Toen mijn verloofde werd afgevoerd,
wist ik niet dat ik weer zwanger was. Mijn zoon is in
februari 1939
geboren en was net 1 jaar, toen we naar Polen werden gedeporteerd.
Nadat zij mijn vader naar
Sachsenhausen had vergezeld,
moest mijn moeder voor ons zorgen. Werk had ze niet en ik natuurlijk ook niet. Bovendien kon ik de
kinderen niet alleen laten. Overigens had zij gehoord, dat "Zigeuners" toch nergens werk zouden kunnen
krijgen. Mijn broer had overigens wel geluk en vond een baantje als schilder. Hij schilderde reclame
op auto’s. Hij had een fijne baas en werkte bijna twee jaar voor dit bedrijf. Toen moesten we plotseling
naar Polen. Zijn baas probeerde de deportatie tegen te houden en wilde hem in dienst houden.
Hij vertelde de politie dat mijn broer onmisbaar was, omdat hij zeer goed werk leverde, het maakte
echter niets uit. Mijn broertje was nog geen 17 en ik was net 19 toen we gedeporteerd werden.
Mijn moeder was bijna 50 jaar.
 |
| Havenloods |
 |
| Station Hannover #1 * |
In mei, ik geloof
16 mei 1940, zijn wij allemaal opgehaald en naar
een vruchtenloods in de haven (
Hamburg) gebracht. Precies kan ik
me dat niet meer herinneren. Ik weet wel, dat er ontzettend veel mensen in de loods waren. Het leek
wel een mierenhoop. Zo veel door elkaar lopende mensen. Ik weet niet meer exact hoelang
we daar waren. Lang kan het in elk geval niet geweest zijn, misschien een dag of drie. Op korte
afstand van de loods moesten wij in een goederenwagon, goederenwagons stappen
(
Station Hannover). Dat was een drukte van jewelste,
er waren immers honderden mensen daar. Er werd ons alleen verteld, dat wij naar Polen zouden
gaan, waar we een huis zouden krijgen en dat mijn vader daar al was.
 |
| Station Hannover #2 * |
Het klopte allemaal niet. Toen we daar aankwamen stond de SS om de trein. Die stonden allemaal
al klaar om ons uit de wagons te drijven. Er waren ook veel politieagenten meegereisd. In elke
wagon waren twee politieagenten aanwezig (
mogelijk in de remhuisjes aan
het einde van sommige wagons). Zij zouden ons natuurlijk niet onbewaakt hebben laten reizen,
bang dat wij eenvoudig uit de trein gestapt en ontsnapt zouden zijn. Dat zouden we natuurlijk ook
gedaan hebben. De politieagenten die met ons waren meegereisd wisten niet wat hun overkwam,
toen ze de SS-commandant zagen en hoorden. Een kleine man met een zweep schreeuwend: “Als
jullie niet gehoorzamen!” Oh jee, wat hij allemaal schreeuwde! Hij riep dat we op honden leken en
dat we ook zo behandeld zouden worden. Het was verschrikkelijk. En de politieagenten uit
Hamburg, die waren helemaal sprakeloos. Ik neem aan, dat zij helemaal niet wisten wat men in
Belzec met ons deed. Wij moesten allemaal een
grote schuur, eigenlijk meer een loods in. Daar lag oud stro op de grond. Daar moesten we allemaal
naar binnen. Buiten stonden SS'ers op wacht.
Ik weet niet meer hoelang wij in het kamp
Belzec waren.
Het was zomer toen wij daar aankwamen. Ik geloof dat wij er enkele weken waren. Het was verschrikkelijk.
Men kon zich daar niet wassen, er waren geen toiletten en we zaten dicht opeen gepakt in de loods.
Na onze aankomst werden we direct aan het werk gezet en moesten wij tankgrachten graven. In
Belzec waren ook veel Joden, die in dezelfde loods
zaten als wij en ook in Arbeitskolonne waren ingedeeld. De meeste waren er slechts een paar weken
om vanuit
Belzec ergens anders naar toegestuurd te worden.
Het eten was verschrikkelijk. Een van de Zigeuners moest voor iedereen koken. De SS'ers hadden kraaien
of raven geschoten en zo als ze uit de lucht gevallen waren, werden ze in een grote pan gegooid. De man
wilden de vogels niet zo klaarmaken, omdat je op deze manier geen eten kon klaarmaken. Daarom hebben
ze de man zo geslagen, dat het bloed uit zijn broekspijpen sijpelde.
Op een dag moest iedereen die kinderen had zich opstellen, omdat er een verrassing voor de kinderen
uitgedeeld zou worden. Er zou wat bijzonders te eten zijn. Ik had twee kinderen, mijn dochter
was twee jaar en mijn zoon één jaar. Iedereen kreeg een schaal. In die schaal zat
melk met kruimels brood erin gestrooid. Tenminste, zo zag het eruit. Dat was het extraatje voor
de kinderen. In de daaropvolgende dagen is het ene kind na het andere overleden. Er klonk
geweeklaag en gehuil. Kort nadat de kinderen hun extraatje op hadden, kregen ze ineens geen
lucht meer, ze stikten. Eerst stierf mijn kleine jongen. Ik werd ‘s morgens wakker, iemand had me
wakker gemaakt. Mijn kind had zich bloot geschopt en iemand had hem willen toedekken. Daar werd
ik wakker van en ik wilde hem oppakken. Toen was hij al helemaal stijf. Ik was helemaal ontdaan en
wist niet wat ik moest doen. Een nichtje van me, de zus van mevrouw Böhmer, tilde hem op.
Uit zijn nek viel een grote klodder etter. Dat was bij alle overleden kinderen het geval geweest.
Mijn dochter, die twee jaar was, is de volgende dag op precies dezelfde manier overleden.
Op een zekere dag werden we in
Belzec weer in
een veewagen geladen. Er was verder niets dan de kale bodem. Ramen waren er niet, slechts
ventilatiegaten, ook toiletten waren er niet. We moesten allemaal in die wagon en wisten niet wat
ons te wachten stond. Niemand vertelde ons iets. We werden naar
Krychow gebracht. We waren
één nacht onderweg. Toen we op het station aankwamen, stonden er karren met
paarden te wachten. Zo werden we naar het kamp gereden. Het kamp was een oud Pools tuchthuis,
ver van het station verwijderd. We werden bewaakt door mannen in zwarte uniformen. Dat
waren Volksduitsers, (
Mannen van Duitse afkomst, die buiten Duitsland
woonden). Zij waren overal, de SS trouwens ook.
Nadat we aangekomen waren moesten we eerst ons onderkomen inrichten. Er moest ook een
keuken gebouwd worden. Daartoe moesten wij grote stenen aandragen. Wij moesten een plank
op onze schouders leggen en daar werden die stenen dan opgelegd. Dat was het werk voor de vrouwen,
de mannen kregen ander werk. Die stenen waren natuurlijk ontzettend zwaar.
Later werden we op de heide tewerkgesteld. Daarvan heb ik nu nog littekens op mijn benen,
helemaal tot boven aan, omdat we vaak tot onze heupen in het moeras stonden. Mijn benen
zaten vol etterende wonden. We moesten daar graven, maar ik had zoiets nog nooit gedaan
en wist helemaal niet hoe ik met een spade moest omgaan. Ondanks het feit, dat mijn benen
helemaal kapot waren, moest ik steeds weer opnieuw naar mijn werk. Uiteindelijk raakte alles
ontstoken. Mijn moeder had een kussensloop weten te bemachtigen, waar ze die vandaan
had, weet ik niet, in elk geval heeft ze die in stroken gescheurd en mijn benen ermee omwikkeld.
Mijn broer werkte ook op de heide. Ze hebben hem doodgeschoten, ik weet niet waarom.
In het kamp vernamen wij, dat mijn vader in
1941 in
Dachau was gestorven. Hij moest eerst naar
Sachsenhausen, van daar naar
Mauthausen. Hier werkte hij in de steengroeve.
Mijn vader was al 58 jaar en het was heel zwaar werk. Van
Mauthausen is hij naar
Dachau getransporteerd. Hoe hij daar is
overleden weet ik niet precies. In het kamp troffen wij iemand van dezelfde leeftijd als mijn
moeder en hij vertelde ons dat vader in een soort bunker was opgesloten. Hij kreeg niets te
eten en te drinken, omdat men wilde weten, hoelang een mens het zonder eten en drinken volhoudt.
Hij vertelde dat men hem niet meer herkende, hij was klein en helemaal verschrompeld.
Daarna is hij gestorven.
We wisten nu dat mijn vader ook dood was, evenals mijn broer en mijn twee kinderen.
Mijn moeder zei: “we moeten een manier vinden om weg te komen, maakt niet uit hoe,
want hier komen we anders niet levend uit”. Dat was in
1942.
En op een nacht is het ons gelukt, in doodsangst, maar het was gelukt. ‘s Nachts zijn we
gevlucht en hebben de hele nacht gelopen, ons verstoppend in de bosrand en hooimijten.
Toen we al behoorlijk ver van het kamp waren, ontmoetten we een Jood, die ook gevlucht
was. Die had waarschijnlijk opgemerkt, dat wij boven in het bos, redelijk goed verstopt
een kampvuurtje hadden gestookt. Hij vroeg mijn moeder of hij bij ons kon blijven, maar
moeder zei: “Dat gaat niet, gaat U gewoon alleen verder, dan gaan wij ook alleen,
samen zullen we zeker worden opgepakt.“ Ze dacht dat we meer gevaar liepen als we
met meer personen waren.
Uiteindelijk hebben we een aantal boeren in vertrouwen genomen. Vaak konden we werk
krijgen, in ruil voor eten. We moesten ons steeds verborgen houden en ons niet laten zien.
Het gebeurde ook regelmatig, dat we weggestuurd werden. De boeren waren waarschijnlijk
bang, omdat ze in grote moeilijkheden konden geraken als ze ons zouden helpen.
Op een nacht sliepen we weer in een bosrand, het was een behoorlijk open bos. ‘s Morgens
kwam een boer met paard en wagen en stopte vlak voor ons. Hij had ons gezien. Hij vroeg:
“Wat doen jullie hier? Gisteren heeft de SS veel Joden hier naar toe gebracht en ze allemaal
doodgeschoten. U kunt ze nog zien, loop die kant maar eens uit.” Ik was natuurlijk bang en ben
niet gegaan. Mijn moeder is er wel naar toe gelopen en heeft de schoenneuzen van de half
begraven lichamen gezien. We zijn van schrik direct verder gelopen. Het was verschrikkelijk.
Die hele tijd was verschrikkelijk. We moesten constant verder. Vader was dood, mijn broer
was dood, mijn kinderen waren dood en we hadden geen thuis. We moesten ons constant
verstoppen. Het was een verschrikkelijke tijd. Van
1942
tot aan het einde van de oorlog. Tot
1945 waren wij op
de vlucht. Op onze tocht heb ik ook mijn toekomstige man ontmoet. Dat was in de buurt van
Warschau. Ook hij had, samen met zijn vrouw
in het kamp van
Krychow gezeten. We kenden
elkaar nog uit
Hamburg. Destijds woonde hij in de
Stresemannstraße. Hij bleef alleen achter toen zijn vrouw in het kamp overleed. Later
raakte we goed bevriend en zijn we uiteindelijk getrouwd.
In
1945 zijn wij, moeder, Erwin, mijn man en ik in
Hamburg aangekomen. We zijn naar ons
oude huis in de
Kolbergstraße in
Rothenburgsort gegaan. Er lag alleen maar
puin verder was er niets meer. Alles was weg. Wat moesten we nu? We zijn naar de politie
gegaan, die ons niet wilde of kon helpen. Uiteindelijk zijn we naar een opvangkamp in
Bahrenfeld gestuurd. Daar werden daklozen
en vluchtelingen ondergebracht.
Mijn man heeft hier voortdurend naar bekenden uitgekeken en naar zijn broers gezocht.
Hij had vijf broers en wilde weten wat er van hen geworden was. Of ze nog in leven waren.
Nadat wij al acht dagen in
Hamburg in het
opvangkamp zaten en elke dag door de stad hadden gelopen om iemand te vinden, gingen we
naar de
Reeperbahn en riep plotseling iemand:
“Erwin, Erwin!" Wij keken om ons heen en zagen een bekende. Hij vertelde ons, dat de
broer van Erwin, Oskar ook in
Hamburg was.
De bekende vertelde, dat Oskar ook overal zocht naar zijn broer, mijn man, Erwin.
We hebben hem toen direct opgezocht. Oskar wist ons te vertellen, dat er in
Bayern mogelijkheden voor ons zouden zijn.
We zijn toen gezamenlijk naar
Bayern vertrokken.
Vlak bij
Lichtenfels vonden we barakken waar
wij onze intrek konden nemen. Mijn moeder was er ook bij, maar ook een andere broer van
mijn man. Wij hebben ons allemaal aangemeld en levensmiddelenkaarten ontvangen. Veel te
eten was er niet, maar soms was er koffie of fruit. Er was in
1945
helemaal niet veel te verkrijgen.
We waren een behoorlijk lange tijd in
Bayern.
Daar werd ook mijn dochter geboren. We moesten echter weer terug naar
Hamburg, want in
Bayern
kwamen we niet in aanmerking voor schadeloosstelling, omdat we vanuit
Hamburg gedeporteerd waren. We verbleven ongeveer
vier jaar in
Bayern. Samen met de broers van mijn man en
mijn moeder. Moeder kreeg in
Hamburg schadeloosstelling
vanwege het overlijden van haar man, Ik ontving voor mijn beide kinderen, die in het kamp ware
gestorven ongeveer 300 Mark, omdat ze nog niet zo oud waren toen ze overleden.
Wij moesten wel een advocaat in de arm nemen om de schadeloosstelling te krijgen. De advocaat
was dr. Hollebach. Wij konden aanspraak maken op 12.000 Mark, 6.000 voor mijn man en
6.000 voor mij. Het heeft allemaal verschrikkelijk lang geduurd. De advocaat hield ons aan het
lijntje als we er naar informeerden. Uiteindelijk werd duidelijk, dat de advocaat het geld naar de
oostzone had overgebracht. Dat was een groot schandaal, dat zelfs de kranten haalde. Hij was er met
het geld van veel mensen, die in de kampen hadden gezeten vandoor gegaan. Omdat het geld al
was toegezegd, had ik al een tapijt en bedden gekocht. Nu bleek dat de advocaat het geld had verduisterd.
We hebben toen een andere advocaat genomen en die heeft de zaak overgenomen. De
schadeloosstelling hebben we trouwens nooit helemaal ontvangen. Zijn vrouw stuurde ons af en toe
50 Mark en heeft ons één keer 1.000 Mark gestuurd. Toen mijn dochter
trouwde en we geld nodig hadden voor het huwelijk, heb ik de vrouw van de advocaat opgebeld
en zij heeft toen 1.000 Mark toegestuurd. Haar man, de advocaat zelf, werd later door de DDR
aan het Westen uitgeleverd en belandde in de gevangenis, uiteindelijk is hij overleden.
Van het geld hebben wij dus slechts een klein deel teruggezien, namelijk dat wat de vrouw
van de advocaat ons af en toe toestuurde.
Mijn man heeft altijd gewerkt. Eerst als zelfstandige en later heeft hij bij
Karstadt gewerkt.
Hier werkte hij heel wat jaren, tot hij een zwaar ongeval kreeg. Hij viel van de laadklep van een
vrachtwagen. Later ontving hij een arbeidsongeschiktheidspensioen van
Karstadt. Niet lang
na dit ongeluk kreeg hij een hartinfarct en in het ziekenhuis nog een tweede infarct. Toen hij uit het
ziekenhuis kwam, kreeg hij een hersenbloeding. Hij werd opgenomen in een herstellingsoord en
kreeg therapie. Uiteindelijk moest hij worden geopereerd aan zijn halsslagader. In de 16 jaar tot
mijn man overleed kreeg hij meerdere hersenbloedingen. Het was een zeer zware tijd, ook voor mij.
Foto's
*:
Bildarchiv-Hamburg
Bron: Karin Guth, Hamburg
© ARC 2002-2007 (Vertaling: Sion Soeters)