ARC Main Page Belzec Kampgeschiedenis Belzec Arbeitslager Roma / Sinti

Het verhaal van Martha W.

Laatste Update: 4 augustus 2007

Dit is de ontroerende geschiedenis van Martha W., een Sinti. Zij werd in 1921 in Kiel geboren. Op 20 mei 1940 werd zij met haar twee kinderen (1 en 2 jaar), haar moeder en broer naar een dwangarbeiderskamp in Belzec gedeporteerd.
ARC-commentaar in het groen.

Ik heb samen met mijn ouders en mijn broer in de Marckmannstraße in Hamburg-Rothenburgsort gewoond. Daar ben ik opgegroeid en naar school gegaan. Mij broer was anderhalf jaar jonger dan ik. Beiden gingen wij naar de Volksschule in de Marckmannstraße. Mijn broertje ging naar de jongensschool en ik naar de meisjesschool ernaast. Na deze school ging ik naar de Allgemeine Haushaltungsschule op de Ausschläger Weg.

Mijn vader, F. G., was een, met het IJzeren Kruis onderscheidde soldaat uit de Eerste Wereldoorlog. Deze onderscheiding hing bij ons in de woonkamer aan de muur, totdat, op een dag de politie binnenviel en de onderscheiding van de muur trok met de opmerking, dat hij het niet waard was om een dergelijke onderscheiding te bezitten. Van de een op de andere dag was mijn vader niet goed genoeg meer. Mijn zoon heeft nog zijn soldatenpaspoort, waarin precies vermeld staat, aan welke acties mijn vader heeft deelgenomen.

In juni 1938 werd mijn vader gearresteerd en moest naar KZ Sachsenhausen. Nadat mijn vader was gearresteerd, zijn wij vertrokken. Mijn moeder, Pauline G., heeft voor ons een klein huis in de Kolbergstraße, in de buurt van de Berliner Tor, gevonden. Daar hebben we gewoond, totdat we werden opgepakt. Ik was toen 18 jaar, verloofd en moeder van een dochtertje, dat in februari 1938 was geboren. Dat was drie maanden voor mijn verloofde en de andere mannen naar Sachsenhausen werden gedeporteerd. Mijn vader wilde dat wij pas zouden trouwen als ik 18 was. Ik ben in december 18 geworden en mijn vader en verloofde zijn juni 1938 afgevoerd. Toen mijn verloofde werd afgevoerd, wist ik niet dat ik weer zwanger was. Mijn zoon is in februari 1939 geboren en was net 1 jaar, toen we naar Polen werden gedeporteerd.

Nadat zij mijn vader naar Sachsenhausen had vergezeld, moest mijn moeder voor ons zorgen. Werk had ze niet en ik natuurlijk ook niet. Bovendien kon ik de kinderen niet alleen laten. Overigens had zij gehoord, dat "Zigeuners" toch nergens werk zouden kunnen krijgen. Mijn broer had overigens wel geluk en vond een baantje als schilder. Hij schilderde reclame op auto’s. Hij had een fijne baas en werkte bijna twee jaar voor dit bedrijf. Toen moesten we plotseling naar Polen. Zijn baas probeerde de deportatie tegen te houden en wilde hem in dienst houden. Hij vertelde de politie dat mijn broer onmisbaar was, omdat hij zeer goed werk leverde, het maakte echter niets uit. Mijn broertje was nog geen 17 en ik was net 19 toen we gedeporteerd werden. Mijn moeder was bijna 50 jaar.

Dock Shed
Havenloods
Station Hannover #1
Station Hannover #1 *
In mei, ik geloof 16 mei 1940, zijn wij allemaal opgehaald en naar een vruchtenloods in de haven (Hamburg) gebracht. Precies kan ik me dat niet meer herinneren. Ik weet wel, dat er ontzettend veel mensen in de loods waren. Het leek wel een mierenhoop. Zo veel door elkaar lopende mensen. Ik weet niet meer exact hoelang we daar waren. Lang kan het in elk geval niet geweest zijn, misschien een dag of drie. Op korte afstand van de loods moesten wij in een goederenwagon, goederenwagons stappen (Station Hannover). Dat was een drukte van jewelste, er waren immers honderden mensen daar. Er werd ons alleen verteld, dat wij naar Polen zouden gaan, waar we een huis zouden krijgen en dat mijn vader daar al was.

Station Hannover #2
Station Hannover #2 *
Het klopte allemaal niet. Toen we daar aankwamen stond de SS om de trein. Die stonden allemaal al klaar om ons uit de wagons te drijven. Er waren ook veel politieagenten meegereisd. In elke wagon waren twee politieagenten aanwezig (mogelijk in de remhuisjes aan het einde van sommige wagons). Zij zouden ons natuurlijk niet onbewaakt hebben laten reizen, bang dat wij eenvoudig uit de trein gestapt en ontsnapt zouden zijn. Dat zouden we natuurlijk ook gedaan hebben. De politieagenten die met ons waren meegereisd wisten niet wat hun overkwam, toen ze de SS-commandant zagen en hoorden. Een kleine man met een zweep schreeuwend: “Als jullie niet gehoorzamen!” Oh jee, wat hij allemaal schreeuwde! Hij riep dat we op honden leken en dat we ook zo behandeld zouden worden. Het was verschrikkelijk. En de politieagenten uit Hamburg, die waren helemaal sprakeloos. Ik neem aan, dat zij helemaal niet wisten wat men in Belzec met ons deed. Wij moesten allemaal een grote schuur, eigenlijk meer een loods in. Daar lag oud stro op de grond. Daar moesten we allemaal naar binnen. Buiten stonden SS'ers op wacht.

Ik weet niet meer hoelang wij in het kamp Belzec waren. Het was zomer toen wij daar aankwamen. Ik geloof dat wij er enkele weken waren. Het was verschrikkelijk. Men kon zich daar niet wassen, er waren geen toiletten en we zaten dicht opeen gepakt in de loods. Na onze aankomst werden we direct aan het werk gezet en moesten wij tankgrachten graven. In Belzec waren ook veel Joden, die in dezelfde loods zaten als wij en ook in Arbeitskolonne waren ingedeeld. De meeste waren er slechts een paar weken om vanuit Belzec ergens anders naar toegestuurd te worden.

Het eten was verschrikkelijk. Een van de Zigeuners moest voor iedereen koken. De SS'ers hadden kraaien of raven geschoten en zo als ze uit de lucht gevallen waren, werden ze in een grote pan gegooid. De man wilden de vogels niet zo klaarmaken, omdat je op deze manier geen eten kon klaarmaken. Daarom hebben ze de man zo geslagen, dat het bloed uit zijn broekspijpen sijpelde.

Op een dag moest iedereen die kinderen had zich opstellen, omdat er een verrassing voor de kinderen uitgedeeld zou worden. Er zou wat bijzonders te eten zijn. Ik had twee kinderen, mijn dochter was twee jaar en mijn zoon één jaar. Iedereen kreeg een schaal. In die schaal zat melk met kruimels brood erin gestrooid. Tenminste, zo zag het eruit. Dat was het extraatje voor de kinderen. In de daaropvolgende dagen is het ene kind na het andere overleden. Er klonk geweeklaag en gehuil. Kort nadat de kinderen hun extraatje op hadden, kregen ze ineens geen lucht meer, ze stikten. Eerst stierf mijn kleine jongen. Ik werd ‘s morgens wakker, iemand had me wakker gemaakt. Mijn kind had zich bloot geschopt en iemand had hem willen toedekken. Daar werd ik wakker van en ik wilde hem oppakken. Toen was hij al helemaal stijf. Ik was helemaal ontdaan en wist niet wat ik moest doen. Een nichtje van me, de zus van mevrouw Böhmer, tilde hem op. Uit zijn nek viel een grote klodder etter. Dat was bij alle overleden kinderen het geval geweest. Mijn dochter, die twee jaar was, is de volgende dag op precies dezelfde manier overleden.

Op een zekere dag werden we in Belzec weer in een veewagen geladen. Er was verder niets dan de kale bodem. Ramen waren er niet, slechts ventilatiegaten, ook toiletten waren er niet. We moesten allemaal in die wagon en wisten niet wat ons te wachten stond. Niemand vertelde ons iets. We werden naar Krychow gebracht. We waren één nacht onderweg. Toen we op het station aankwamen, stonden er karren met paarden te wachten. Zo werden we naar het kamp gereden. Het kamp was een oud Pools tuchthuis, ver van het station verwijderd. We werden bewaakt door mannen in zwarte uniformen. Dat waren Volksduitsers, (Mannen van Duitse afkomst, die buiten Duitsland woonden). Zij waren overal, de SS trouwens ook.

Nadat we aangekomen waren moesten we eerst ons onderkomen inrichten. Er moest ook een keuken gebouwd worden. Daartoe moesten wij grote stenen aandragen. Wij moesten een plank op onze schouders leggen en daar werden die stenen dan opgelegd. Dat was het werk voor de vrouwen, de mannen kregen ander werk. Die stenen waren natuurlijk ontzettend zwaar.
Later werden we op de heide tewerkgesteld. Daarvan heb ik nu nog littekens op mijn benen, helemaal tot boven aan, omdat we vaak tot onze heupen in het moeras stonden. Mijn benen zaten vol etterende wonden. We moesten daar graven, maar ik had zoiets nog nooit gedaan en wist helemaal niet hoe ik met een spade moest omgaan. Ondanks het feit, dat mijn benen helemaal kapot waren, moest ik steeds weer opnieuw naar mijn werk. Uiteindelijk raakte alles ontstoken. Mijn moeder had een kussensloop weten te bemachtigen, waar ze die vandaan had, weet ik niet, in elk geval heeft ze die in stroken gescheurd en mijn benen ermee omwikkeld.

Mijn broer werkte ook op de heide. Ze hebben hem doodgeschoten, ik weet niet waarom. In het kamp vernamen wij, dat mijn vader in 1941 in Dachau was gestorven. Hij moest eerst naar Sachsenhausen, van daar naar Mauthausen. Hier werkte hij in de steengroeve. Mijn vader was al 58 jaar en het was heel zwaar werk. Van Mauthausen is hij naar Dachau getransporteerd. Hoe hij daar is overleden weet ik niet precies. In het kamp troffen wij iemand van dezelfde leeftijd als mijn moeder en hij vertelde ons dat vader in een soort bunker was opgesloten. Hij kreeg niets te eten en te drinken, omdat men wilde weten, hoelang een mens het zonder eten en drinken volhoudt. Hij vertelde dat men hem niet meer herkende, hij was klein en helemaal verschrompeld. Daarna is hij gestorven.

We wisten nu dat mijn vader ook dood was, evenals mijn broer en mijn twee kinderen. Mijn moeder zei: “we moeten een manier vinden om weg te komen, maakt niet uit hoe, want hier komen we anders niet levend uit”. Dat was in 1942. En op een nacht is het ons gelukt, in doodsangst, maar het was gelukt. ‘s Nachts zijn we gevlucht en hebben de hele nacht gelopen, ons verstoppend in de bosrand en hooimijten.

Toen we al behoorlijk ver van het kamp waren, ontmoetten we een Jood, die ook gevlucht was. Die had waarschijnlijk opgemerkt, dat wij boven in het bos, redelijk goed verstopt een kampvuurtje hadden gestookt. Hij vroeg mijn moeder of hij bij ons kon blijven, maar moeder zei: “Dat gaat niet, gaat U gewoon alleen verder, dan gaan wij ook alleen, samen zullen we zeker worden opgepakt.“ Ze dacht dat we meer gevaar liepen als we met meer personen waren.

Uiteindelijk hebben we een aantal boeren in vertrouwen genomen. Vaak konden we werk krijgen, in ruil voor eten. We moesten ons steeds verborgen houden en ons niet laten zien. Het gebeurde ook regelmatig, dat we weggestuurd werden. De boeren waren waarschijnlijk bang, omdat ze in grote moeilijkheden konden geraken als ze ons zouden helpen. Op een nacht sliepen we weer in een bosrand, het was een behoorlijk open bos. ‘s Morgens kwam een boer met paard en wagen en stopte vlak voor ons. Hij had ons gezien. Hij vroeg: “Wat doen jullie hier? Gisteren heeft de SS veel Joden hier naar toe gebracht en ze allemaal doodgeschoten. U kunt ze nog zien, loop die kant maar eens uit.” Ik was natuurlijk bang en ben niet gegaan. Mijn moeder is er wel naar toe gelopen en heeft de schoenneuzen van de half begraven lichamen gezien. We zijn van schrik direct verder gelopen. Het was verschrikkelijk.

Die hele tijd was verschrikkelijk. We moesten constant verder. Vader was dood, mijn broer was dood, mijn kinderen waren dood en we hadden geen thuis. We moesten ons constant verstoppen. Het was een verschrikkelijke tijd. Van 1942 tot aan het einde van de oorlog. Tot 1945 waren wij op de vlucht. Op onze tocht heb ik ook mijn toekomstige man ontmoet. Dat was in de buurt van Warschau. Ook hij had, samen met zijn vrouw in het kamp van Krychow gezeten. We kenden elkaar nog uit Hamburg. Destijds woonde hij in de Stresemannstraße. Hij bleef alleen achter toen zijn vrouw in het kamp overleed. Later raakte we goed bevriend en zijn we uiteindelijk getrouwd.
In 1945 zijn wij, moeder, Erwin, mijn man en ik in Hamburg aangekomen. We zijn naar ons oude huis in de Kolbergstraße in Rothenburgsort gegaan. Er lag alleen maar puin verder was er niets meer. Alles was weg. Wat moesten we nu? We zijn naar de politie gegaan, die ons niet wilde of kon helpen. Uiteindelijk zijn we naar een opvangkamp in Bahrenfeld gestuurd. Daar werden daklozen en vluchtelingen ondergebracht.

Mijn man heeft hier voortdurend naar bekenden uitgekeken en naar zijn broers gezocht. Hij had vijf broers en wilde weten wat er van hen geworden was. Of ze nog in leven waren. Nadat wij al acht dagen in Hamburg in het opvangkamp zaten en elke dag door de stad hadden gelopen om iemand te vinden, gingen we naar de Reeperbahn en riep plotseling iemand: “Erwin, Erwin!" Wij keken om ons heen en zagen een bekende. Hij vertelde ons, dat de broer van Erwin, Oskar ook in Hamburg was. De bekende vertelde, dat Oskar ook overal zocht naar zijn broer, mijn man, Erwin. We hebben hem toen direct opgezocht. Oskar wist ons te vertellen, dat er in Bayern mogelijkheden voor ons zouden zijn. We zijn toen gezamenlijk naar Bayern vertrokken. Vlak bij Lichtenfels vonden we barakken waar wij onze intrek konden nemen. Mijn moeder was er ook bij, maar ook een andere broer van mijn man. Wij hebben ons allemaal aangemeld en levensmiddelenkaarten ontvangen. Veel te eten was er niet, maar soms was er koffie of fruit. Er was in 1945 helemaal niet veel te verkrijgen.

We waren een behoorlijk lange tijd in Bayern. Daar werd ook mijn dochter geboren. We moesten echter weer terug naar Hamburg, want in Bayern kwamen we niet in aanmerking voor schadeloosstelling, omdat we vanuit Hamburg gedeporteerd waren. We verbleven ongeveer vier jaar in Bayern. Samen met de broers van mijn man en mijn moeder. Moeder kreeg in Hamburg schadeloosstelling vanwege het overlijden van haar man, Ik ontving voor mijn beide kinderen, die in het kamp ware gestorven ongeveer 300 Mark, omdat ze nog niet zo oud waren toen ze overleden.

Wij moesten wel een advocaat in de arm nemen om de schadeloosstelling te krijgen. De advocaat was dr. Hollebach. Wij konden aanspraak maken op 12.000 Mark, 6.000 voor mijn man en 6.000 voor mij. Het heeft allemaal verschrikkelijk lang geduurd. De advocaat hield ons aan het lijntje als we er naar informeerden. Uiteindelijk werd duidelijk, dat de advocaat het geld naar de oostzone had overgebracht. Dat was een groot schandaal, dat zelfs de kranten haalde. Hij was er met het geld van veel mensen, die in de kampen hadden gezeten vandoor gegaan. Omdat het geld al was toegezegd, had ik al een tapijt en bedden gekocht. Nu bleek dat de advocaat het geld had verduisterd. We hebben toen een andere advocaat genomen en die heeft de zaak overgenomen. De schadeloosstelling hebben we trouwens nooit helemaal ontvangen. Zijn vrouw stuurde ons af en toe 50 Mark en heeft ons één keer 1.000 Mark gestuurd. Toen mijn dochter trouwde en we geld nodig hadden voor het huwelijk, heb ik de vrouw van de advocaat opgebeld en zij heeft toen 1.000 Mark toegestuurd. Haar man, de advocaat zelf, werd later door de DDR aan het Westen uitgeleverd en belandde in de gevangenis, uiteindelijk is hij overleden. Van het geld hebben wij dus slechts een klein deel teruggezien, namelijk dat wat de vrouw van de advocaat ons af en toe toestuurde.

Mijn man heeft altijd gewerkt. Eerst als zelfstandige en later heeft hij bij Karstadt gewerkt. Hier werkte hij heel wat jaren, tot hij een zwaar ongeval kreeg. Hij viel van de laadklep van een vrachtwagen. Later ontving hij een arbeidsongeschiktheidspensioen van Karstadt. Niet lang na dit ongeluk kreeg hij een hartinfarct en in het ziekenhuis nog een tweede infarct. Toen hij uit het ziekenhuis kwam, kreeg hij een hersenbloeding. Hij werd opgenomen in een herstellingsoord en kreeg therapie. Uiteindelijk moest hij worden geopereerd aan zijn halsslagader. In de 16 jaar tot mijn man overleed kreeg hij meerdere hersenbloedingen. Het was een zeer zware tijd, ook voor mij.


Foto's*:Bildarchiv-Hamburg

Bron: Karin Guth, Hamburg

© ARC 2002-2007 (Vertaling: Sion Soeters)