ARC Main Page Belzec Kampgeschiedenis Belzec Werkkampen Roma

Het verhaal van Gottfried Weiss

Laatste Update 6 augustus 2007

Kindertijd
Ik werd op 19 december 1928 in Groß Sittensen bij Hamburg geboren. We waren met zes kinderen, Marie, geboren in 1920, was de oudste en Robert, geboren in 1939 was de jongste. We woonden in Harburg. In 1934, ik was toen zes, vestigde wij ons met onze woonwagen in de Wasmerstraße 15. In het begin was dat, ondanks het gebrek aan geld, een heel gelukkige tijd. We gingen zwemmen in de Seeve of bezochten het "Knusperhäuschen", een bakkerij in de Lüneburger Straße, waar we een zak met koekkruimels kochten.
Familie Weiss #1
Familie Weiss #1
Mijn vader was muzikant en speelde op festiviteiten en in restaurants. In 1937 werd zijn vergunning ingetrokken. Ook andere Sinti werd het verboden om zelfstandige arbeid te verrichten. Tot zijn arrestatie en deportatie naar Sachsenhausen, in 1938, werkte hij bij diverse bouwbedrijven in Harburg.
In juni 1938 werd hij zonder reden naar KZ Sachsenhausen gedeporteerd. Later vernam ik, dat op last van Himmler, uit elk district tenminste 200 mensen moesten worden gearresteerd. Mijn vader zat bij deze groep vanwege het feit, dat hij een Sinti was. Dat was volslagen idioot. Wij wisten niet eens, dat vader in een KZ zat, moeder wilde ons niet ongerust maken, ik was dan ook niet eens 10 jaar oud. Ze vertelde ons, dat vader op reis was en snel weer thuis zou komen. Vader zat een aantal weken in Sachsenhausen, maar kwam daarna terug naar Hamburg. Ik wist van niets, Pas later vertelde hij ons, hoe verschrikkelijk het daar was en hoeveel honger hij daar had geleden.
In 1934 ging ik naar de school op de Kapellenweg in Harburg. Dat beviel me goed, ik leerde graag en had veel vriendjes. In 1939 moest ik plotseling van school en moest naar een andere school. Daar begreep ik helemaal niets van en wilde graag blijven. Moeder is zelfs naar de rector geweest, om te vragen of ik op de school kon blijven, maar men wilde alle "zigeuners" bij elkaar in een speciale klas zetten. We werden van de zogenaamde “arische” kinderen gescheiden. Ik moest, zoals ook de anderen, naar een school in de Maretstraße, in een klas met meer dan 30 kinderen van alle leeftijden. Zij kwamen van verschillende scholen uit de omgeving. Allemaal Sinti kinderen. Meisjes en jongens uit klassen 1 tot en met 6 bij elkaar. Onze onderwijzer heette Hillebrand en hij bemoeide zich niet met ons. Vaak kreeg iedereen dezelfde opgaven, ongeacht in welke klas we zaten. Het ergste was, dat we niet meer met de "arische" kinderen mochten praten. De kinderen kregen een verbod om met "zigeuners" te praten en ons werd verboden contact te zoeken. Op de speelplaats van de school werd een dikke krijtstreep getrokken. Zo werden we van andere kinderen gescheiden en er was strenge bewaking, ook als we van of naar school toe liepen.

Deportatie
Het werd 16 mei 1940. Om 04.00 uur werd de omgeving door de politie afgegrendeld. We werden uit ons bed gejaagd, moesten ons direct aankleden en klaar maken. Ons werd verteld, dat we ergens anders zouden gaan wonen, dat we mooi huizen in Polen zouden krijgen. Toen werden we in vrachtwagens geladen. Onze ouders wilden extra kleding meenemen en we hadden al onze kleding over elkaar aangetrokken. Eerst werden we naar de politiepost in de Nöldeckestraße gebracht. Dit was het verzamelpunt van waaruit we naar de fruitloods in de haven werden gebracht. Het was een grote ruimte van ongeveer 50 meter lang en 30 meter breed. Er was niets anders dan kale grond om te zitten en liggen. We werden geregistreerd en moesten onze papieren en waardevolle spullen afgeven. Horloges, ringen ed. werden ingezameld. De kinderen, ook de oudere, moesten zich uitkleden en werden gefouilleerd, om te zien of zij iets op hun lichaam had verstopt. Dat was, vooral voor de oudere kinderen een pijnlijke ervaring.
Familie Weiss #2
Familie Weiss #2
Uiteindelijk werden we op 20 mei in wagons geladen. De trein stond vlakbij de fruitloods, op het goederenperron, dat buiten het station van Hannover lag. Er waren erg veel mensen en de wagons waren overvol. Nu weet ik dat het er bijna duizend waren, meer dan de helft kwam uit Hamburg, de rest uit andere streken van Noord-Duitsland.
Ik merkte dat de volwassenen sceptisch werden, toen zij de politieagenten op de trein zagen. Zij vroegen zich af, waarom er politiebewaking was, als zij slechts zouden verhuizen en huizen in Polen zouden krijgen. Velen zullen het verhaal vanaf het begin al wel niet hebben geloofd en toen ook de deuren van de wagons nog werden afgesloten, werd het de meeste wel duidelijk, dat hier iets niet klopte. We zaten met ongeveer 50 personen in een wagon en in elke wagon zaten één of twee politieagenten. De treinen uit die tijd waren niet zoals de moderne treinen van nu en moesten na een aantal kilometers water tanken. Dat waren momenten, waarop de vrouwen om water voor de kinderen riepen, want in de wagons zelf was geen water te vinden. Het ergste was nog wel, dat er ook geen toiletten waren.

Belzec en Krychow
Ik geloof, dat we drie dagen en twee nachten onderweg waren alvorens we in Belzec aankwamen. Hier moesten we uitstappen. De commandant kwam ons op zijn paard tegemoet. Het was een SS-Hauptsturmführer. Deze kleine man kwam voor ons staan en zei:
"Vanaf nu zijn jullie allemaal mijn gevangenen. Ik trek hier een lijn en wie die overschrijdt, wordt neergeschoten!" De mannen werkten dagenlang aan de bouw van een omheining aan de binnenkant van deze lijn. Ze moesten een prikkeldraadomheining maken en zichzelf en ons insluiten. Kun je je dat voorstellen?

Gottfried Weiss und seine Kinder
Gottfried Weiss en zijn kinderen
We werden ondergebracht in een barak van ongeveer 100 meter lang. Er lag stro op de grond en we sliepen op de grond. In de eerste twee weken overleden meer dan 70 kinderen. Er was geen dokter en ook geen sanitaire voorzieningen. Later moesten we die zelf bouwen. Op een ochtend zag ik, dat een SS‘er een nog levend kind wilde begraven. Hij zei:
"Als ik zeg dat zij dood is, dan is zij dood."
Zij werd in een graf gegooid en toen het zand over haar benen werd gegooid, bewoog ze haar benen. Dat heb ik zelf gezien.
Elke dag arriveerde een wagen met water. Het was precies zo’n wagen als waar boeren het land mee besproeien. We kwamen bij elkaar om water te halen. Vlak naast me werd iemand geduwd en viel per ongeluk tegen een SS’er. Die trok zijn pistool en schoot de man neer. Hij liep bloedend nog een paar passen alvorens een paar vrouwen hem te hulp wilden schieten. Een andere SS’er opende het vuur op hen en schoot ze in de rug. Veel werden ook geslagen.
We kregen ook eten. ‘s Middags kregen we een beetje soep. In vergelijking tot Bergen-Belsen ging het in Belzec nog wel. Daar kregen we bijna niets meer, Per dag kregen we een halve liter soep. In Belzec was het nog draaglijk, we aten ons niet vol, maar het ging.
Als ik er aan terugdenk heb ik medelijden met onze ouders. Dat kleine beetje eten dat ze kregen hebben ze bijna allemaal aan ons gegeven.
In Belzec was onze familie bij elkaar. Vandaar werden we naar Krychow gestuurd. Daar werden we ondergebracht in een voormalige gevangenis. Bij aankomst werd mijn oom neergeschoten, omdat hij een voet buiten de omheining zette om iets op te rapen. Hij was nog drie dagen in leven, maar overleed aan de gevolgen van tetanus. Ook hier werd veel mishandeld.

Warschau
Van Krychow werden naar een ander kamp gestuurd, maar het ergste was wel het getto van Warschau. Daar kwamen we in 1943 aan. Terugkijkend beschouw ik dat als een wonder van god, ik ben namelijk gelovig en ik houd me voor, dat er een bepaalde reden moet zijn waarom we zoveel geluk hadden. We werden ondergebracht in een kamer met ongeveer 40 of 50 mensen. Daar hoorde ik van iemand, dat ze jonge mensen zochten die voor 250 gram brood wilde werken. We hebben ons gemeld en kregen een kar met twee wielen en de opdracht om de lijken van kinderen uit de straten op te halen. We hebben dagelijks zeker 30 lijken opgehaald, die in een massagraf terecht kwamen. Daarvoor kregen we ‘s avonds 250 gram brood. Ik heb veel verschrikkelijke dingen gezien.
Moeders en dochters woonden apart van vaders en zoons. De straat waar ik woonde heette de Gänsegasse. Op een dag gaf een politieagent mijn oom en mij een tip, omdat hij ons herkende als stadgenoten. Nadat we onze bagage hadden ingepakt, hielp hij ons het getto te ontvluchten. Mijn broer Helmut was al ernstig ziek, maar we zijn allemaal ontsnapt. De bewaker liet ons passeren, maar we werden al de volgende dag opgepakt. Toch was dat onze redding. We werden namelijk niet teruggestuurd, maar gingen naar een kamp waar munitie werd gefabriceerd. Het kamp was bij Klettendorf in de buurt van Breslau. Maar omdat de Russen naderden werd het kamp geëvacueerd, waarna we naar het verder westelijk gelegen Liegnitz werden gestuurd. De reis hiernaar toe was verschrikkelijk lang. Ook toen reisden we in goederenwagons.
Bergen-Belsen was het ergste, ik begrijp nu soms nog niet hoe we daar levend uit gekomen zijn. De kampcommandant heette Kramer. Hij was de voormalige commandant van Auschwitz. Hij schoot mensen zomaar dood. Het was onvoorstelbaar hoeveel mensen hij doodgeschoten heeft. Nu weet ik, dat tussen begin januari 1945 en midden april 1945 ongeveer 35.000 omgekomen zijn.

Bergen-Belsen
In Bergen-Belsen kwamen we op het perron aan. Dat lag vlak buiten het kamp. ‘s Nachts werden we uit de trein gehaald en moesten ongeveer een kilometer lopen. Tijdens de wandeling struikelden we over zakken, tenminste, dat dachten we. Het waren geen zakken, maar het bleken lijken te zijn. Over het stuk deden we de hele nacht, het was nat, koud en er lagen verschrikkelijk veel lijken.
Mijn moeder heeft er nooit meer over willen spreken. Ik ben jaren later nog eens terug geweest en heb dat nog eens bekeken.

Gottfried Weiss
Gottfried Weiss
Toen de Engelsen ons bevrijdde en er plotseling eten beschikbaar was, waarschuwde moeder ons. Ze zei: "Eet niet zo veel." En dat was maar goed ook, want onze magen waren geen normaal eten meer gewend. Veel stierven als gevolg van teveel en te snel eten. Ons lichaam kon dat helemaal niet meer verteren. Er waren veel mensen, die probeerde de blikken voedsel met hun tanden open te maken. Zij hebben zich verschrikkelijk verwond.
In Bergen-Belsen was het werkelijk het ergste. Wij hadden het geluk, dat wij al onze kleding nog aan hadden, sommige droegen zo goed als geen kleding meer. Zij namen direct de kleding van doden af, om maar iets aan te hebben. Ik heb een wagon gezien met Russische krijgsgevangenen, die totaal uitgemergeld waren. Toen de Engelsen kwamen, zijn veel SS’ers in kampkleding gevlucht. Een groot aantal zijn ook gearresteerd. Veel van de gevluchte SS’ers werden later gearresteerd en ter dood veroordeeld.

Ik hoop, dat dit alles zich nooit zal herhalen. En dat de mensen dit nooit zullen vergeten. Wij hadden ongelofelijk veel geluk, omdat mijn ouders en vijf van de zes broers en zusters de vijf jaar in het concentratiekamp hebben overleefd. Daar ben ik God zeer dankbaar voor.

Gottfried Weiss overleed in maart 2003 op 74 jarige leeftijd.
Karin Guth interviewde hem op 1 juli 2002, thuis in Hamburg-Harburg.


Bron: Karin Guth, Hamburg
Met dank aan Struan Robertson voor de Engelse vertaling.

© ARC 2002-2007 (Vertaling: Sion Soeters)